Oorspronkelijk was de wijnproductie beperkt tot de Middellandse Zee landen. Gaandeweg ontstonden meer zeer productieve wijngebieden. Steeds meer landen produceren hun eigen wijnen. Een druif vereist water en zon om te groeien en mooi rijp te worden. Wijnstreken zijn vaak n te vinden in grote kuststreken en stroomgebieden van rivieren. De reden is dat water het klimaat beïnvloedt en het er minder warm wordt en minder snel afkoelt dan in het binnenland. De temperatuur blijft het hele jaar gematigd. De warmere wijnregio’s profiteren van de koele zeebries of van de mist die voor de kust hangt. Ook zeestromen hebben een invloed op wijnbouw. De westkust van Europa wordt verwarmt door de Golfstroom, en een stroom uit Alaska in de Stille Oceaan zorgt ervoor dat de Californische wijnstreken voldoende afkoeling krijgen. De beste wijnen komen uit klimaten met voldoende warmte om de druif te doen rijpen. Wanneer de druiven langzaam kunnen rijpen gedurende het groeiproces ballen al hun aroma’s zich samen in de najaarszon. Bij een te warm klimaat wordt de druif te vroeg rijp en de aroma’s hebben een kort leven. Wanner het te koud is wordt de druif in zijn geheel niet rijp. In de koudere regio’s van Europa probeert men zon te vangen door de wijngaarden op het zuiden te planten. In de warme ‘Nieuwe Wereld’ worden de wijngaarden ver van de zon geplant om de druiven te beschermen tegen de hitte. In Europa liggen wijngaarden zelden boven de 300m boven de zeespiegel. Het wordt al gauw te koud voor de druiven. De wijngaarden in Californië en in Australië daarentegen liggen op 600m of hoger vanwege de koelte.

Druivenvariëteiten

Een wijn grotendeels bepaald door de druivenvariëteit (of mengeling ervan) waarvan de wijn wordt gemaakt. In de jaren 70 ontstond een grote belangstelling voor betere wijnen uit alle hoeken van de wereld.. Het onderzoeken welke druif het best gedijt is in Europa een proces van eeuwen geweest. Men ontdekte met horten en stoten welke druivenrassen waar het beste groeiden en de beste opbrengst met zich mee bracht. Dit zijn niet altijd de druiven die het beste smaakten. De druiven die deze selectie doorstonden waren Cabernet Sauvignon, Merlot, Sauvignon Blanc en Semillon in de Bordeaux en de Pinot Noir en Chardonnay in de Bourgogne en Champagne. Bij de meeste etiketten van wijnen uit Australië, Californië en Nieuw-Zeeland komen deze namen voor. Californië had nog Zinfandel/Primitivo van Zuid-Italië. Australië profiteerde van Shiraz/Syrah uit Frankrijk. Wanneer de Cabernet uit Californië, Chardonnay uit Australië en Sauvignon Blanc uit Nieuw-Zeeland internationaal steeds meer faam kregen, konden ze niet meer genegeerd worden. De nieuwe wereldwijnen werden alsmaar beter en werden zo een waardig alternatief voor de Franse wijnen omwille van de prijs. Tegelijkertijd gingen wijnmakers in Toscane en elders in Europa Cabernet Sauvignon en andere klassieke druiven gebruiken in gebieden waar ze door de traditionele wijnwetten waren uitgesloten. Door zich niets aan te trekken van de lokale regelgeving en de hiërarchie in de regionale naamgeving te doorbreken, konden ze beter internationaal aantrekkelijke wijnen maken. Naast de beroemdste druivenrassen, de rode Cabernet Sauvignon en de witte Chardonnay, zijn er nog honderden andere soorten. In sommige Europese wijnen is een mengeling te vinden van druiven waarvan enkelen uitsluitend in de streek van herkomst voorkomen. Veel moderne wijnproducenten in Zuid-Italië, Portugal en Oost-Europa, zijn een speurtocht begonnen naar de mogelijkheden van de druivenvariëteiten in hun streek en de aroma’s die zij eventueel in petto hebben.$

Ligging en bodem

Het microklimaat wordt bepaald door zeer lokale factoren zoals de exacte ligging van een vallei of berghelling, in de beschutting van een nabijgelegen bos, of verwarmd door een meer. Het bepalen van de ligging is de 1ste stap op weg naar ‘terroir’, de traditionele Europese wijnmakers gebruiken deze term om de belangrijkste karaktertrek van de wijn uit te drukken: de bodem waarop de druiven groeien. Sommige druiven gedijen het beste op leigrond (Riesling) of op kiezelzand (Cabernet Sauvignon) maar beide grondsoorten zijn. Hij houdt of water vast of laat water door. In koudere en nattere streken in Europa is een goede waterafvoer zeer belangrijk. De wijnstokken raken niet verzadigd van water en droger grond is warmer. Het meeste speelt zich af diep onder de oppervlakte van de bodem, waar de wortels van de wijnstokken hun voedingstoffen halen. Oppervlaktekenmerken zijn belangrijk voor het rijpen van de druif. Lichtgekleurde bodems als krijtgrond of kalksteen reflecteren zonlicht en warmte op de druiven, terwijl leisteen en andere steengronden warmte opslaan voor de kille najaarsavonden. In Australië en Californië geven de klassieke druivenrassen ondanks de inspanningen van de producenten niet hetzelfde fruit en aroma’s als in Europa. Dit komt door de andere omstandigheden. Wijngaarden zijn er warmer en de bodem vruchtbaarder en/of droger.